Een veel voorkomende mening over hoogbegaafde kinderen
is, dat deze kinderen het toch wel treffen. Ze hoeven zich nooit in te spannen, halen altijd hoge cijfers en gaan dus met veel plezier naar school.
Niets is echter minder waar. Wetenschappelijk onderzoek en ervaringsgegevens van orthopedagogische bureaus die kinderen en scholen begeleiden wijzen uit dat 50 tot 80 procent van deze kinderen problemen krijgt op school. Hoe is dat mogelijk?
In de eerste plaats scheppen de kinderen zelf al een probleem. Als ze met vier jaar in groep 1 instromen is hun emotionele leeftijd wel vier jaar, maar intellectueel gezien denken en leren ze al op het niveau van een zes- tot achtjarige. Dit blijkt vaak uit hun grote woordenschat, vroegtijdige leesontwikkeling, behoorlijk getalbegrip en hun zeer ruime algemene kennis. Het zal duidelijk zijn, dat de werkjes die de klas krijgt ver onder het niveau liggen van hoogbegaafde kinderen en dat de vragen die deze kinderen stellen door de rest van de klas vaker als ‘raar’ worden ervaren. Hoe kunnen deze kinderen nu op hun eigen niveau worden aangesproken?
Dit is een probleem in de schoolorganisatie. Een leerkracht zal zich in zijn/haar wijze van les geven voornamelijk laten leiden door wat het grootste gedeelte van de klas kan behappen. Kinderen die wat meer aankunnen krijgen soms wat moeilijker werkjes, kinderen die ergens moeite mee hebben krijgen wat extra uitleg. Door het op integratie gerichte project ‘Weer Samen Naar School’ zijn er ook nog kinderen bijgekomen, die vroeger in het speciaal onderwijs zouden zitten en meer begeleiding behoeven.
hoogbegaafdheid